|
Algemeen veranderen de
afmetingen van materialen bij temperatuurwijzigingen. Om problemen te voorkomen
moet daar dikwijls rekening mee worden gehouden.
L
Soms kan er nuttig
gebruik van worden gemaakt
|
Lineaire uitzetting
De lengteverandering door een temperatuurverandering wordt beschreven door: LT1 = lengte van de staaf bij temperatuur T1 LT2 = lengte van de staaf bij temperatuur T2 α = de lineaire uitzettingscoëfficiënt, veelal gedefinieerd bij 0 °C
De formule in dit geval is: ΔV = VT1·γ(T1 - T2) met ΔV = VT1 - VT2VT1 = volume van het lichaam bij temperatuur T1, VT2 = volume van het lichaam bij temperatuur T2, γ = de kubieke uitzettingscoëfficiënt Relatie tussen lineaire en kubieke uitzettingscoëfficiënt Neem een kubus met riblengte L, dan is bij een temperatuur T het volume VT = LT03[1 + α(T-T0)]3. Bij een temperatuur T0 is het volume VT0 = LT03[1 + α(T-T0)]3 = LT03[1 + 3α(T-T0) + 3(T-T0)2 + (T-T0)3] Omdat α(T-T0) << 1, kan dit vereenvoudigd worden tot: VT = LT03[1 + 3α(T-T0). Er geldt echter ook VT = VT0[1 + Υ(T-T0)]. Uit deze twee laatste vergelijkingen volgt dan dat in goede benadering moet gelden: γ = 3α. |
| Bij constante druk p heeft het gas een uitzettingscoëfficiënt
γp.
De uitzetting laat zich dan op dezelfde manier kwalitatief beschrijven
als die van vloeistoffen en gassen. Wel is het zo dat deze
uitzettingscoëfficiënt bij benadering voor alle gassen gelijk is. Bij constant volume V laat de drukverhoging zich eveneens op eenzelfde kwalitatieve manier beschrijven met een uitzettingscoëfficiënt γv. γp = γv = 1/273 °C-1 = 1/273 K-1 |
Kijken we naar verdunde gassen (ideale gassen). De
temperatuurcoëfficiënt γ van het product p·V is onafhankelijk
van de aard en de hoeveelheid van het gas:
|
Mechanische rek, compressie, buiging,
afschuiving, torsie.
Door een mechanische
kracht op vaste materie uit te oefenen wordt deze vervormd. Deze vervorming kan
evenredig zijn met de uitgeoefende kracht, lineair, dan wel niet lineair en bij
relatief grotere kracht kan de vervorming geheel of gedeeltelijk blijvend zijn.
Niet blijvende vervorming is elastisch, blijvende vervorming noemt men
plastisch. Deze verschijnselen zijn vooral het onderwerp van de technische
mechanica en de mechanische technologie. Deze verschijnselen zijn vaak
gerelateerd aan de andere vervormingen genoemd in dit hoofdstuk,
dan kan er bijvoorbeeld sprake zijn van thermo-mechanische spanning in
spoorstaven of van krimpspanning in gietijzeren of bronzen voorwerpen of de
trekspanning in piëzo-elektrische rekstrookjes.
Dergelijke rekstrookjes worden bijvoorbeeld gebruikt om vervormingen te
meten of te controleren van allerlei soorten constructies.
Eenzijdige rek
Trekt men aan een staaf
of draad dan wordt deze bij niet te grote uitgeoefende kracht elastisch
uitgetrokken en de staaf gedraagt zich dan als een veer met een veerconstante
c
volgens de wet van Hooke: ΔL = c·F. .
Dit is in een oud eenhedenstelsel. In het SI stelsel omgezet naar N/mm+2
moet men de waarden langs de verticale as met
0,0981 vermenigvuldigen
Bij grove proeven meet
men de doorzakking
z van het midden van de staaf waarop
in het midden een kracht F naar
beneden werkt (zie figuur 3b)
NB de
afleiding van dergelijke formules kan men vinden in leerboeken over technische
mechanica etc.
De buiging van een
staaf en de bepaling van de elasticiteitsmodulus
Men legt bijvoorbeeld
een staaf met rechthoekige doorsnede breedte
b, hoogte h op twee steunpunten A en B met een onderlinge afstand 2l. Op afstanden d buiten de steunpunten werken twee even grote krachten
F (zie figuur 3a).
In de steunpunten treden reactiekrachten ter grootte van
F op. Het gedeelte tussen de punten A
en B wordt nu, onder invloed van het in elke doorsnede werkende koppelmoment
M = F·d cirkelvormig gebogen. De
doorsneden ter plaatse A en B verdraaien over een hoek
γ, die gegeven wordt door:
De meetkundige grootheid
Il
heet het lineair traagheidsmoment.![]()

AhaFysica
home